
Wet agrarisch grondverkeer
Artikel 17
1
Indien een rechtspersoon binnen het tijdvak genoemd in artikel 15, eerste lid, landbouwgrond, dan wel een beperkt recht waaraan landbouwgrond is onderworpen, daarop bezit, waarvoor de grondkamer geen toestemming heeft verleend, dan wel de toestemming heeft ingetrokken, vordert Onze Minister dat de rechtspersoon met betrekking tot die landbouwgrond een pachtovereenkomst sluit met het bureau of met een door hem aan te wijzen pachter.
2
Een vordering als bedoeld in het vorige lid wordt niet ingesteld dan nadat zes maanden zijn verlopen na de datum van de intrekking van de toestemming.
3
Indien een rechtspersoon in gebreke blijft een pachtovereenkomst, als voorzien in het eerste lid, te sluiten, vervalt met ingang van de dertigste dag na de vordering van Onze Minister, dagelijks een dwangsom ten belope van een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag.
4
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen gesteld met betrekking tot de procedure van aanwijzing van pachters, de voorwaarden waaronder een pachtovereenkomst als bedoeld in het eerste lid gesloten wordt en de wijze waarop het bureau de landbouwgrond kan onderverpachten.
5
In afwijking van het bepaalde in artikel 355 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek behoeven onderverpachtingen door het bureau niet de schriftelijke toestemming van de verpachter.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.